Meer octrooiaanvragen Europese kennisinstellingen, commercialisatie blijft achter
Europese universiteiten, onderzoeksinstituten en academische ziekenhuizen hebben de afgelopen twintig jaar een forse inhaalslag gemaakt bij het Europees Octrooibureau (EOB). Tussen 2006 en 2023 nam het aantal octrooiaanvragen van deze instellingen(1) met ruim 2,5 keer toe: van 3.235 naar 8.138 per jaar.
Laatst gewijzigd op 22 oktober 2026
Vooral universiteiten zorgden voor deze groei met een verdrievoudiging van hun jaarlijkse aanvragen. Toch vertaalt deze toename zich nog onvoldoende in economisch succes: Europa heeft een sterke onderzoeksbasis, maar blijft achter op de Verenigde Staten als het gaat om het daadwerkelijk omzetten van onderzoek in marktgerichte innovaties en economische waarde. Dat blijkt uit het rapport 'Europe's technology transfer landscape: The current state, challenges and avenues for
development of technology transfer offices', gepubliceerd door het EOB in samenwerking met de Association of European Science and Technology Transfer Professionals (ASTP) en het Fraunhofer Institute for Systems and Innovation Research.
Europa nadert VS in aandeel academische octrooiaanvragen
Dankzij deze groei is het aandeel academische octrooiaanvragen binnen het totale aantal Europese aanvragen bijna verdubbeld, van circa 5 procent in 2000 naar 9 procent in 2020. Daarmee komt Europa dicht in de buurt van de Verenigde Staten, waar dit aandeel circa 9,5 procent bedraagt. Deze ontwikkeling is vooral te danken aan het feit dat Europese universiteiten steeds vaker zelf octrooien aanvragen, zogenaamde directe aanvragen. Dit wijst op een professionalisering van de Europese technologieoverdracht, waarbij universiteiten en onderzoeksinstellingen een grotere rol zijn gaan spelen in het beschermen en beheren van intellectueel eigendom.
Hoewel het Europese aantal octrooiaanvragen van kennisinstellingen dus toeneemt, blijkt de instandhouding op de lange termijn achter te blijven. Om de economische waarde op lange termijn te meten, onderzocht het EOB hoeveel verleende octrooien (noot 2) (uit de cohorten 2000-2012) na tien jaar nog in stand worden gehouden. In de VS is dat 73,7 procent van de directe academische octrooien, tegenover slechts 59,3 procent in Europa. Dit verschil is geen direct bewijs van commercialisatiesucces, maar het geeft wel aan dat Europese academische uitvindingen minder vaak als economisch levensvatbaar op de lange termijn worden gezien. Dit duidt op hardnekkige knelpunten in de commercialisatiefase of terughoudendere intellectuele eigendomsstrategieën (IE-strategieën).
Nederland dient relatief weinig academische octrooiaanvragen in
Terwijl Europa als geheel terrein wint, blijft Nederland achter. Van alle Nederlandse octrooiaanvragen bij het EOB heeft slechts 6 procent een academische achtergrond, wat aanzienlijk minder is dan in Frankrijk (14 procent) of Spanje (13 procent). Bovendien vraagt Nederland slechts 35 procent van deze academische octrooien rechtstreeks op naam van een universiteit aan, tegenover 81 procent in Spanje en zelfs 95 procent in België. Dit betekent niet per se dat Nederlandse kennisinstellingen minder actief zijn in technologieoverdracht. Het kan ook wijzen op een sterke samenwerking tussen universiteiten en de industrie, waarbij uitvindingen vaak via bedrijven of andere organisaties worden geoctrooieerd in plaats van rechtstreeks door de universiteit. Toch blijkt uit het rapport dat Nederlandse universiteiten minder vaak zelf de regie nemen over het beschermen en valoriseren van hun intellectuele eigendom dan hun Europese collega's.
TTO's: krappe budgetten, en schaal maakt het verschil
Een belangrijke oorzaak hiervan ligt bij de uitvoerende Technology Transfer Offices (TTO's). Uit interviews met Europese TTO's blijkt dat beperkte octrooibudgetten hen parten spelen. Met name in sectoren zoals biotech en farmacie, waar ontwikkelingstrajecten lang en kostbaar zijn, ontbreken vaak de middelen om innovaties jarenlang te financieren totdat ze marktrijp zijn. Hierdoor zien TTO's zich soms genoodzaakt octrooien voortijdig op te geven, met het risico dat potentieel waardevolle uitvindingen alsnog op de plank blijven liggen.
Het rapport benadrukt overigens dat kleine TTO's per individuele uitvinding niet onderdoen voor grotere: beide genereren naar verhouding evenveel licenties en spin-offs, en kleinere kantoren dienen per uitvinding zelfs vaker een octrooiaanvraag in. Wel zijn grotere TTO's productiever per medewerker. Dankzij hun schaalvoordelen en omvangrijkere portfolio’s kunnen zij specialistische expertise in huis halen (zoals diepgaande marktanalyses, juridische ondersteuning en structurele investeerderscontacten) die bij kleinere instellingen ontbreekt.
Oplossingen: samenwerken en standaardafspraken
Omdat niet elke instelling haar TTO zomaar kan opschalen, pleit het rapport nadrukkelijk voor intensievere samenwerking tussen kantoren. Door de krachten te bundelen, kunnen ook kleinere instellingen gebruikmaken van gespecialiseerde diensten en netwerken. Het EOB benadrukt: “The question for Europe is therefore not simply how to make every TTO bigger: it is how to ensure that every promising invention can access the capabilities it needs, whether these are available inside the local TTO or through wider national and European networks.”
Naast capaciteitsdeling is ook het wegnemen van contractuele drempels cruciaal om uitvindingen sneller van het lab naar de markt te krijgen. In steeds meer landen worden daarom zogeheten 'IE-dealtermprincipes' opgesteld. Deze standaardafspraken tussen kennisinstellingen en spin-offs zorgen voor marktconforme voorwaarden, transparantie en aanzienlijk snellere onderhandelingen. Het rapport noemt hierbij specifiek Nederland, dat sinds 2025 landelijke standaardvoorwaarden hanteert voor afspraken met spin-offs. Vergelijkbare initiatieven in landen als Denemarken, Ierland en Duitsland laten zien dat deze uniforme aanpak helpt om het ondernemersklimaat rondom universiteiten vlot te trekken.
Conclusie: van octrooi naar marktwaarde
De balans van twintig jaar technologieoverdracht is dubbel: Europa beschermt zijn academische kennis vaker, maar slaagt er nog onvoldoende in om deze kennis om te zetten in economische waarde en marktgerichte innovaties. Om de kloof met de Verenigde Staten definitief te dichten, moet de Europese innovatieketen volwassen worden. Volgens het EOB zijn toereikende financiering, nauwere samenwerking tussen TTO's en gestandaardiseerde IE-afspraken dé sleutels om Europees wetenschappelijk toponderzoek structureel te verzilveren op het wereldtoneel.
Deep Tech Finder toont potentie Nederlandse spin-offs
Het rapport maakt ook gebruik van de Deep Tech Finder van het EOB. Daaruit blijkt dat Nederland met 245 patent-actieve spin-offs op de zevende plaats staat in Europa. Een groot deel daarvan bevindt zich in vroege groeifasen, maar Nederland heeft ook een relatief hoog aandeel spin-offs in de doorbraakfase of die al zijn overgenomen. Deze cijfers tonen de toenemende rol van publiek onderzoek in strategische technologieën, maar benadrukken tegelijkertijd de noodzaak van verdere versterking van technologieoverdracht om innovaties succesvol naar de markt te brengen.
Meer weten?
Lees het volledige rapport 'Europe's technology transfer landscape' op de website van het Europees Octrooibureau. Hier kun je ook het Data Desk-dashboard vinden. Tot slot de link naar de Deep Tech Finder.
Noten
- Academische octrooiaanvragen zijn in aanvragen waarbij de aanvrager een publieke kennisinstelling is (zoals universiteiten, onderzoeksinstituten of academische ziekenhuizen) of waarbij de uitvinding is gedaan door een onderzoeker met affiliatie aan een dergelijke instelling. Het rapport maakt onderscheid tussen directe aanvragen (waarbij de kennisinstelling zelf eigenaar is) en indirecte aanvragen (waarbij een externe partij de aanvrager is).
- Een octrooiaanvraag is een verzoek om octrooibescherming; een verleend octrooi is de daadwerkelijke bescherming na toetsing.